Wiewwiewwiewiew! Bonk!Bonk!Bonk!Bonk!Het is dertien over elf 's avonds en een groep idioten heeft besloten dat dertien over elf een doodgewone tijd is om te testen of het ze lukt om hun gehoorbeschadiging naar ongekende hoogte kunnen bonken. Op een bootje natuurlijk, zodat heel Amsterdam ervan mee kan genieten. Immers, gedeelde vreugd is dubbele vreugd! Deze keer hadden ze sirenes. Van die types die vroeger naar het A-team keken en dachten: Dat wil ik ook! maar nu helaas nog steeds denken: Dat wil ik ook!
Even heb ik de neiging om het raam open te doen en "Denk aan de kinderen!" te roepen. Maar dan bedenk ik, wacht even, ik heb helemaal geen kinderen. Waarom irriteer ik me eigenlijk zo? Ik ben volwassen! Ik ga naar bed wanneer ik wil! Ik slaap toch nog niet? Laat ze lekker! Nee! Het is altijd kutmuziek!!! Die van de bedrijfsuitjes, de bierfiets, de apres-ski en Sensation White!
Ik besluit helemaal niks te zeggen want a) Het type mensen op die boot vindt mij een watje. Het is die 'vibe' van minachting die ik ook van ze krijg wanneer ik ze voorzichting ervan op de hoogte stel dat hun i-pod/mp3-speler misschien een klein tikkiepietsiebeetje te hard staat in de trein, de blik die ze me geven wanneer ze schandalig voorkruipen. Als ik uit het raam zou roepen, gaan ze echt niet zeggen: 'Goh, ze heeft gelijk, laten we maar een beetje dimmen.' Het is meer een gevalletje van 99% kans op 'kuthoer' en hoongelach.
Op zo'n moment denk ik altijd aan mijn vader. Achter mijn ouderlijk huis was een parkeerplaats, waar het tuig van Losser in de avonduren gezellig de stereo-installatie van hun auto gingen testen op doofheidsgarantie en lekker drugs uitwisselden, voordat ze naar het zwembad doorhuppelden om daar tienermeisjes te betasten. Of het echt zo erg was, weet ik niet, maar zo waren de geruchten, de potentie was er, zeker in mijn hoofd. Ik werd dan ook altijd erg pips om de neus wanneer mijn vader meldde "Ik ga even een praatje met ze maken." "Neen!Alstublieft vader! Doe het niet!" en ik wierp me wanhopig om zijn been. (Dit alleen in de Dickens versie van deze anekdote). Maar weg liep ie, handen in zijn zakken, terwijl hij zachtjes een van de 100.0000 liedjes neuriede die in zijn hoofd zijn opgeslagen. (She-van Charles Aznavour). Ik stond doodsangsten uit. Wat er daar op die parkeerplaats gebeurde, weet ik niet, maar op de een of andere manier kreeg mijn vader het altijd voor elkaar dat ze afdropen naar huis, zonder zelf compleet in elkaar gebeukt te worden. Een wonder! Een mysterie! Oneindig veel respect kreeg ik voor het lef van mijn vader. Of was het naïviteit en stom geluk? Iedere keer wanneer hij dit deed (heel regelmatig) verwachtte ik dat het nu echt mis zou gaan, maar dat gebeurde nooit. Ik vermoed nu stiekem dat hij ze gewoon omkocht. Mijn vader was naar het bootje toegegaan. Zeker weten. Vanaf de kade, even een praatje maken. Mijn vader zou het goed doen bij de maffia, met zijn ge-even een praatje maken.
Dag jongens, ik kom even een praatje maken.
/